|
Tussen Amsterdam en Istanbul, tussen liefde en twijfel
Wat moet een Amsterdamse universiteitsdocente met een Turkse kapper? Stine Jensen werd hopeloos verliefd op Ozan. In haar boek Turkse Vlinders zet ze haar twijfels en angsten op een rijtje.
Door Dick Nieuwboer (Het Parool, 11 juli 2005)
,,Het is hard werken hoor”, lacht Jensen (33) over haar interculturele relatie. De taal leren, het op en neer reizen, de culturele verschillen. Vrouwen die vallen voor de charmes van een Turkse mannen moeten behoorlijk aanpoten. De mannen niet dan? ,,Ook wel”, vindt de schrijfster. ,,Maar het zijn vooral vrouwen die hard willen werken voor de liefde.”
De Amsterdamse vertelt het op een terrasje in het centrum van Istanbul. Ze is deze zomer weer even in Turkije om bij haar vriend te zijn. Al drie jaar pendelt ze heen en weer tussen Amsterdam en Istanbul, tussen liefde en twijfel. Als ze in Turkije is bloeit de liefde weer helemaal op. ,,Maar terug in Nederland ga je je afvragen waar je mee bezig bent.”
In Turkse Vlinders schrijft Jensen, filosoof, literatuurwetenschapper en freelance journalist, openhartig over de geneugten en ongemakken van haar relatie. Van de romantische eerste ontmoeting gaat ze naar het geklungel met condooms bij de eerste keer en de communicatieproblemen die haar relatie soms tarten. ,,Mijn moskeetje, ik ben een mirakel”, zegt ze lange tijd in het Turks tegen Ozan. Ze dacht dat ze zei: ,,Mijn liefje, ik ben slim.”
Die persoonlijke belevenissen wisselt ze in het boek af een stortvloed aan informatie over Turkije. Liedjes, Turkse soaps, statistieken en de laatste stand van de Turkse wetgeving, de schrijfster haalt er van alles bij om er maar achter te komen of haar relatie met de laag opgeleide Ozan kans van slagen heeft.
,,Mijn verhaal was een opstapje om meer te vertellen”, verklaart ze. ,,En ik wilde al helemaal geen pijnlijk autobiografisch proza schrijven.” Het boek moest daarom niet alleen over Ozan en haar gaan, maar over relaties tussen Turken en westerlingen in het algemeen.
Toch zegt ook de zoektocht naar informatie veel over Jensen zelf. ,,Ik ben een denkhoofd”, verontschuldigt de schrijfster zich bijna. ,, Om meer over mijn vriend te weten te komen onderzoek ik soaps, als ik iets wil weten over de liefde ga ik naar de film. Op die manier probeer ik controle te houden, mezelf te beschermen.”
Jensen laat zo al onderzoekend en piekerend de dilemma's zien die horen bij een interculturele relatie. Ze raakt verliefd op een Turkse man, maar ook op de cultuur die bij de man hoort. En of het nu gaat om de vrijpartij die na 17 seconden is afgelopen of over het notoire te laat komen van haar vriend, het is haar nooit helemaal duidelijk waar het aan ligt. ,,Je vraagt je voortdurend af of iets persoonlijk is of cultureel? Als je in Nederland een vriendje hebt, denk je daar helemaal niet aan.”
Ook na het schrijven van het boek, is ze er nog niet helemaal uit. Zo blijft de Amsterdamse moeite houden met de jaloezie en achterdocht die bij een Turkse relatie lijken te horen. Turkse mannen en vrouwen houden elkaar voortdurend in de gaten omdat ze elkaar voor geen cent vertrouwen. Jensen moet er niks van hebben, maar is ook op haar hoede. Ze zal niet de eerste vrouw zijn die door een Turkse macho wordt uitgeknepen. Op internet zijn zelfs sites waar vrouwen elkaar waarschuwen voor notoire oplichters.
,,Je raakt toch beïnvloed door alle vooroordelen die er bestaan”, legt ze haar angst uit. ,,Je probeert niet die fout te maken, niet in de val te trappen. Waarom zou de liefde een val zijn, denk je dan. Maar toch.”
|