Recensies
Interviews
Recensies
Interviews
Televisie

Waarom vrouwen van apen houden / De Morgen

Ook al is de exacte wetenschap nog steeds grotendeels een mannelijk bastion, toch is er één tak die er in dit opzicht uitspringt: de primatologie. Dian Fossey's gorilla's, Jane Goodalls chimpansees, Biruté Galdikas' orang-oetans en - dichter bij huis - Ellen Van Krunkelsvens bonobo's hebben de aandacht en vooral ook het hart van menigeen gestolen. Alleen Frans de Waal, ook al een bonobo-onderzoeker, heeft als man eenzelfde populariteit kunnen bereiken, maar omdat hij zijn onderzoek toch vooral in dierentuinen uitvoert en niet zoals de vrouwen de wildernis intrekt om tussen de apen te gaan leven, behoort hij volgens sommigen toch tot een andere categorie. Nee, de echte primatologen, dat zijn toch vrouwen.

Vraag nu aan om het even welke man waarom vrouwen zo goed in de markt liggen om mensapen te onderzoeken en je krijgt ongetwijfeld heel wat gegniffel en geïnsinueer te horen. Vrouwen kunnen zich beter inleven in dieren, zegt de een, of ze staan dichter bij de natuur, draait een ander rond de pot, maar slechts wanneer je het zelf te berde brengt zullen ze het toegeven: er zit ook een erotisch tintje aan. Al in de verhalen van 1001 nacht komt er een prinses voor die met een aap vrijt en ook Voltaire had blijkbaar een paar binnenpretjes toen hij Candide schreef. Hij voert er twee vrouwen op die een aap als geliefde hebben. Seks tussen en vrouw en een aap blijkt een universele mannelijke fantasie te zijn, maar dat verklaart nog steeds niet waarom er zoveel vrouwelijke primatologen veldwerk verrichten natuurlijk.

De Nederlandse cultuurwetenschapster Stine Jensen plaatst dit primatologenverhaal in haar boek Waarom vrouwen van apen houden in een bredere context. Het maakt geen staat het succes van de ‘Trimates', zoals Fossey, Goodall en Galdikas wel eens genoemd worden, als een alleenstaand feit te beschouwen, aldus Jensen. Het is het resultaat van een eeuwenoud emancipatieproces, zowel van de aap als van de vrouw. In dit boek, de handelseditie van het doctoraat dat Jensen vorige maand verdedigde aan de universiteit van Maastricht, wordt vertrokken vanuit het deconstructiedenken van de Amerikaanse literatuurwetenschapster Donna Haraway. Zowel literatuur als wetenschap, wat zij beide verwante, want talige disciplines vindt, zijn in feite verdoken machtsinstrumenten, is een van Haraway's stokpaardjes. Zij dienen om de macht van de een te consolideren en die van de ander te ondergraven en wie de verhalen bepaalt bepaalt dus ook die macht. Ook al gaat Jensen niet tot op het einde mee met Haraway - ze verwijt haar bijvoorbeeld iedere cultuur- of wetenschapsuiting in haar ideologisch verhaal te willen inpassen, waardoor zij het oude systeem gewoon vervangt door een nieuw - toch volgt zij haar een heel eindweegs. Zo is zij het volmondig eens met Haraway's stelling dat onze verhalen over apen misschien wel iets over die apen zeggen, maar zeker ook over onszelf.

De klassieke, negentiende-eeuwse visie op aap en mens was dat het eerste wezen primitief, wild, impulsief en seksueel was, terwijl het tweede juist heel cultureel, geciviliseerd en rationeel uit de hoek kwam, het zelfbeeld van de blanke, mannelijke westerling zeg maar. In de twintigste eeuw veranderde dit beeld grondig, onder meer door de toenemende invloed van het darwinisme dat de discontinue visie op aap en mens verving door een continue. De mens is een aap, zoals Desmond Morris en Middas Dekkers beweren en de aap is een mens, dixit de trimates.

Nu ging deze betekenisverschuiving niet zonder slag of stoot. Doordat de aap en de mens op elkaars terrein kwamen, ontstonden er wrijvingen, en die lieten zich het best lezen in de populaire cultuur. In haar boek toont Jensen aan de hand van voorbeelden uit de literatuur-, film- en wetenschapswereld hoe de aap in de twintigste eeuw een ambigu wezen werd, waardoor hij op artistiek vlak juist heel vruchtbaar bleek te zijn. Neem nu de uit 1928 daterende korte roman Mijn aap schreit van de expliciet katholieke Nederlander Albert Helman. Het hoofdpersonage koopt een aap, brengt hem zijn huis binnen en voert er vervolgens een nooit aflatende psychische en fysieke strijd mee. De aap blijkt immers geen stom beest te zijn, maar een wezen dat rivaliseert met de mens, die zich als de nieuwe Christus presenteert en vrouwen verleidt. Uiteindelijk zal de man de aap vergiftigen en zijn doodstrijd op de piano begeleiden. De reden waarom de aap dood moet, aldus Jensen, is dat hij een ambigu wezen is, existerend tussen beest en god, zwarte en blanke, seks en contemplatie. De aap ondergraaft met zijn ambiguïteit de bestaande orde en door hem te doden hoopt de man de rust te herstellen.

Iets gelijkaardigs is te zien in het uit 1933 daterende King Kong . De reusachtige gorilla die hierin de hoofdrol speelt is opnieuw een heel ambigu wezen. Enerzijds is hij koning, maar anderzijds ook een wilde natuurlijk. Hij is zachtaardig voor de vrouw waar hij verliefd op wordt, maar ook heel gewelddadig tegenover de mannen die haar willen verdedigen, en wat misschien nog het meest intrigeert: King Kong heeft geen geslacht. We gaan er automatisch vanuit dat de aap een mannetje is omdat hij King is en geen Queen, en omdat hij verliefd wordt op een vrouw, maar een geslachtsdeel heeft de aap in de film niet. Een volwassen gorilla heeft een zwart lederachtig piemeltje van een centimeter of vijf. King Kong had dus voorzien moeten zijn van een lid om u tegen te zeggen, maar dat kon in een film uit de jaren dertig niet. Door hem geslachtloos te maken, werd hij dus extra ambigu. Het interessante aan apen is dat ze zowel door exacte als door menswetenschappers bestudeerd worden en ook King Kong heeft in beide richtingen nogal wat stof doen opwaaien. De cultuurwetenschappers zagen hem als een symbolische representatie van de mens, de exacte wetenschappers als een valse representatie van een aap. Wat was King Kong dus uiteindelijk? Alles en niets tegelijk, een soort hybried wezen, wat de film zijn aantrekkingskracht gaf en de reden waarom ook hier de aap op het einde moest sterven. Ieder vervolg of remake van de film deed iets aan de ambiguïteit van de gorilla af. Geen ervan kwam dan ook maar in de buurt van het succes dat het origineel genoot.

Ook aan de trimates besteedt Jensen een hoofdstuk. Zij deden - en doen - hun werk stukken later en het verschil in perceptie van de apen is dan ook groot. Dat aap en mens nauwe verwanten zijn is vandaag niet langer verrassend. Maar hier komen dus die erotische fantasieën in volle kracht de kop opsteken. In de boeken van of over deze vrouwelijke onderzoeksters wordt er steeds de nadruk opgelegd dat de vrouwen tussen de apen leven. Er zijn foto's bij de vleet van omarmingen en zelfs zoenen. Er wordt dieper ingegaan op het emotionele en - eventueel -huwelijkse leven van de onderzoeksters, wat bijvoorbeeld van De Waal nooit vermeld wordt. En uiteindelijk volgt er ook een oordeel. Want ook al zijn ze alle drie deze vrouwen populair, in de representatie zijn ze in feite geen vrouwen meer. Jane Goodall is een soort heilige, verheven boven alle aardse beslommeringen en zowel Fossey als Galdikas worden door zowat iedereen omschreven als feeksen of heksen. Ze zijn doorgeslagen, zo zegt men, omdat ze de ware aard van de apen niet meer willen zien. Meestal gaat dit dan over de al dan niet gewelddadigheid van de gorilla's of orang-oetans. Fossey liet het bijvoorbeeld liever ongezegd dat gorilla-mannetjes de kleintjes van hun rivalen doodbijten, en toen Galdikas' aap haar kokkin verkrachtte beweerde ze onomwonden dat de vrouw er zelf om gevraagd had. Beide vrouwen gingen inderdaad ver in hun adoratie van hun favoriete apen - Fossey ligt bijvoorbeeld begraven naast haar geliefde zilverrug - maar door hen te stigmatiseren worden ze opnieuw van hun menselijke ambiguïteit ontdaan.

Het woord ambiguïteit is hier nu al zo vaak gevallen dat het belang ervan voor Jensen toch even verduidelijkt moet worden. De aanvaarding ervan is volgens haar een teken dat de emancipatie voltooid is. Neem nu bijvoorbeeld de vrouwenbeweging. Eerst reduceerde die de vrouw tot een valse man en daarna tot een soort oermoeder. Pas daarna kon de vrouw in theorie ambigu en in feite zichzelf zijn. Voor de emancipatie van de aap geldt iets dergelijks. En om te laten zien waar we vandaag staan heeft Jensen er een aantal romans bijgehaald die de voorbije jaren gepubliceerd zijn en waarin de vrouw en de aap zich samen van de stigmatiserende mannelijke wereld afkeren. De vrouw en de aap van de Deense Peter Hoeg is er bijvoorbeeld zo eentje. Daarin gaat een vrouw op de loop met het proefdier van haar man, waarna er zich een idyllisch liefdesverhaal ontspint. Van het verleden van de mens, zoals de darwinisten stelden, is de aap hier zijn toekomst geworden, zonder dat hij gereduceerd wordt tot een kaartje in een fichebak. Erasmus, zoals Hoegs aap heet, is een combinatie van dier, mens en god, een wezen dat zachtaardig en heldhaftig is, lief en macho, gevoelig en een hele brok vlees. En hij komt op voor de anderen in de maatschappij, zowel vrouwen als dieren. “Terwijl de man overpeinst of er nog hoop is voor de menselijke cultuur,” aldus Stine Jensen, omarmen vrouwen en apen elkaar hartstochtelijk en zien ze een toekomst voor zich waarin ambiguïteit zegeviert”.

Jensen brengt haar verhaal op een bijzonder toegankelijke manier, wat haar duidelijk onderscheidt van grote voorbeeld Haraway. Dat ze op het einde van ieder hoofdstuk braafjes uitlegt wat we op de volgende pagina's mogen verwachten is licht storend, maar we zullen het met de mantel der liefde bedekken en toeschrijven aan het feit dat dit een academisch werkstuk is. De strakke structuur die ze zichzelf oplegt - verschillende periodes en verschillende kunstvormen - maakt dat haar betoog soms nogal duister overkomt, maar wat de centrale lijn betreft is dit boek bijzonder overtuigend. Voor de mannelijke lezer is Waarom vrouwen van mannen houden echter een ontnuchterend boek. Het heeft helemaal niets met exhibitionisme, surrogaat of een avontuurtje te maken, maar wel met onze eigen onkunde. Waren wij volwaardiger mannen, en dus ook mensen, dan werden die apen zo weer in de steek gelaten. Tijd dus voor de mannelijke emancipatie, denk ik dan, voor een omarming van de mannelijke ambiguïteit. Niet dat ik zelf graag bij een aap op schoot zou gaan zitten, nee, ik moet doodeenvoudig zelf zo'n halfgod worden, want zo kom ik misschien toch nog eens samen met Ellen Van Krunkelsven in het Kongolese oerwoud terecht, al was het maar om elkaar een namiddagje te vlooien.

 

Marnix Verplancke

 

Stine Jensen, Waarom vrouwen van apen houden, Een liefdesgeschiedenis in cultuur en wetenschap, Bert Bakker, Amsterdam, 336 p., 19,95 euro.