'Jokken, neppen, tillen, flessen, bedotten, beduvelen, belazeren,
kwakzalven, zwendelen en verlakken: er zijn meer synoniemen van aan
liegen gerelateerde woorden dan van het begrip 'waarheid'. Leugens
komen in soorten en maten. 'Ze hebben een kleur en een omvang',
schrijft Stine Jensen in Leugenaars. 'Ze dragen een maatpak, een
jeugdige spijkerbroek of zelfs een witte bruidssluier.' Iedereen liegt,
ook al gebruiken mensen eufemismen voor hun bedrog en verontschuldigen
ze zich 'het niet meer precies te weten'.
Jensen noemt zichzelf een beroepssnuffelaar die de kunst van het
bedriegen wil ontmaskeren - tot ze aan het eind van het boek zelf wordt
ontmaskerd en door de mand valt, als ze bij het doorzoeken van de
spullen van haar vriend door hem wordt betrapt.
Nu zou je denken dat er over de homo mentiens, de liegende mens, veel
boeken zijn geschreven omdat 'liegbeest' een adequate typering van de
soort is, maar dat is niet zo. Filosofen buigen zich over de waarheid,
niets dan de waarheid, en verwaarlozen een van de kenmerkendste
eigenschappen van de mens: we liegen zelfs de waarheid, een beetje
waarheid is al snel een halve leugen.
Leugenaars (in de sprankelende reeks 'De passie van...', een initiatief
van Filosofie Magazine en Lemniscaat) is een bevlogen geschreven,
pretentieloos en persoonlijk-filosofisch verslag van Jensens
snuffelobsessie en haar passie en fascinatie voor leugenaars. Ze gaat
op zoek naar de drijfveren van de liegende mens. In een van de langere
hoofdstukken analyseert ze de sportleugens van klimmers, de stoere
verhalen van Bart Vos die beweerde dat hij de eerste Nederlander was op
de top van Mount Everest. Waarheid hoog op een berg evenwel lijkt een
grijs gebied; hoe meeslepender een klimmer vertelt, hoe meer verhalen
hij over zijn klimprestaties verzint.
Mag een schrijver, vraagt Jensen zich af, ook in zijn memoires liegen,
aandikken en verzinnen Kunnen herinneringen fictie zijn Toen journalist
Frank Westerman De Gouden Uil kreeg voor zijn non-fictieboek El Negro
en ik pleitte hij voor het opheffen van het wazige onderscheid tussen
fictie en non-fictie; hij stelde de tweedeling frictie en non-frictie
voor, 'waarbij boeken uit het eerste genre ontwrichten, prikkelen,
choqueren'. Jensen wikt en weegt zogenaamd plagiaat, ook een vorm van
liegen en zelfbedrog, ze onderzoekt 'kunstleugens' in romans en
auto-fictionele literatuur, spreekt met kunstvervalser Geert Jan Jansen
(het omslagbeeld van het boek is een van zijn vervalsingen van Picasso
- al herken je meteen dat het absoluut geen Picasso is).
Die snuffelsessies leiden tot de kern van haar betoog: de vraag welk
leven te prefereren is, dat van de waarheidszoeker of dat van de
romantische dromer, het verschil tussen the true story en the best
possible story. Haar boek is een kleine filosofie van het liegen.
Jensen zet drie filosofische posities op een rijtje en legt ze in vijf
intermezzo's voor aan enkele schrijvers die hun favoriete leugenaar
mogen noemen. Is liegen een verwerpelijke eigenschap, een kunst, of een
noodzaak De verlichtingsdenker Kant zegt dat je in principe niet mag
liegen; volgens rechtsgeleerde en politiek filosoof Bentham mag je
liegen als dat de schade beperkt, en Nietzsche meent dat 'de waarheid'
een leugen is. Misschien heeft de kerkvader Augustinus gelijk: hij vond
liegen slecht, eigenlijk onoorbaar, maar er bestaan meer en minder
ernstige leugens.'