Elif Shafak

‘Ik heb een biseksuele pen’. Stine Jensen in gesprek met Elif Shafak in Istanbul

In Armada, Turkije special onder gastredactie Stine Jensen, Hanneke van der Heijden en Margreet Dorleijn, nr. 44, 2006

‘De vrouwelijke concurrent van Orhan Pamuk,’ zo wordt ze steevast genoemd. Tot haar grote ongenoegen. ‘Alsof een land maar één schrijver heeft die als cultureel exportproduct over de wereld gaat.’ Over de vergelijking met Pamuk wil ze het dus liever niet hebben, en ook wil ze niet louter vragen krijgen over gesluierde vrouwen. ‘Ik vind het niet erg om het over de islam en vrouwen te hebben, want ik ben politicologe van huis uit. Maar het ergert me soms dat ik op literaire festivals wél vragen krijg over sluiers, fundamentalisme, de Koerden of de islam en het Westen, maar geen enkele over literatuur.’
Elif Shafak (1971) heeft inmiddels acht boeken gepubliceerd, zes romans, een verhalenbundel en een bundel waarin ze haar essayistisch werk over vrouwen, seksualiteit en het Midden-Oosten bij elkaar bracht. In het Nederlands is vooralsnog één roman van haar verschenen: Het luizenpaleis (vertaling Hanneke van der Heijden en Margreet Dorleijn, Uitgeverij De Geus, 2006). Daarin maken we in afwisselende hoofdstukken kennis met de kleurrijke bewoners van het ‘Zuurtjespaleis’, een afvallig gettoachtig appartementencomplex dat boven op een Armeens graf is gebouwd en te kampen heeft met een luizenplaag.
Net als haar personages, die veelal meerdere culturele tradities, landen, religies en seksuele identiteiten in zich herbergen, laat ook Shafak zich niet makkelijk in een hokje duwen. Ze werd geboren in Straatsburg en groeide als dochter van een diplomate op in Frankrijk en Spanje en belandde uiteindelijk weer in haar moederland Turkije. Zij studeerde sociale en politieke wetenschappen, promoveerde op een onderzoek naar internationale betrekkingen en doceerde onder andere genderstudies aan de universiteit van Michigan. Heer eerste boeken schreef ze in het Turks, maar haar laatste twee romans publiceerde ze in het Engels.
Haar recentste roman, The Bastard of Istanbul (2006; een Nederlandse vertaling is in voorbereiding), veroorzaakte grote opschudding. De nationalistische advocaat Kemel Kerincsiz wilde Shafak laten vervolgen wegens belediging van de Turkse identiteit. In The Bastard of Istanbul laten onder meer Armeens-Amerikaanse personages zich kritisch uit over het Turkse verzwijgen van de Armeense genocide in 1915 en fulmineert een vrouwelijk personage tegen het seksisme en het nationalisme in de Turkse maatschappij. De officier van justitie legde aanvankelijk de aanklacht naast zich neer, maar Kerinicsiz ging in hoger beroep.

De ontmoeting met Elif Shafak vindt plaats in een sfeervol cafeetje in Istanbul. Het gesprek heeft iets weg van haar romans: het is vol en rijk, en er is, net als in haar boeken, nauwelijks tijd om even bij te komen, ook niet voor een slok koffie of thee tussendoor. Associatief springt ze van het ene naar het andere onderwerp. En ze weet, zo lijkt het, inmiddels zo ongeveer wel waarover journalisten het met haar willen hebben: over politiek en Turkse literatuur, over vrouwen, identiteit en islam, over haar nomadische leven tussen vele culturen, en sinds kort ook over die aanklacht waarop een maximale gevangenisstraf van zes maanden staat. Er is theoretische brille, genuanceerdheid en een welhaast overdonderend intellect. Terugkerende steekwoorden zijn ‘kosmopoliet’, ‘ontmoetingen tussen culturen’, ‘leven’ en ‘dood’. Maar het gesprek is ook serieus, en zwanger van zinnen die ze zó vaak heeft gezegd dat ze een beetje als collegestof of als ideologiekritische mantra’s klinken (‘Ik wil het nationalistische en seksistische systeem van de Turkse samenleving aanvechten.’) Er wordt weinig gelachen. Ze zal regelmatig benadrukken dat ze in de eerste plaats een schrijfster is van romans, en dat zijn creatieve bedenkels met fictieve personages. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar in Turkije is het huwelijk tussen politiek en esthetiek een heikele kwestie, benadrukt Shafak. ‘In Turkije kun je je als schrijver de luxe niet veroorloven om apolitiek te zijn. Je bent hier een publieke intellectueel. En je werk wordt op de boodschap gelezen.’ Literatuur is, kortom, geen onschuldig, luchtig spel, niet in Turkije, en niet voor Shafak.
‘De rechtszaak is belachelijk,’ begint Shafak. ‘The Bastard of Istanbul verscheen in Turkije onder de titel Baba ve Pic op 8 maart , Internationale Vrouwendag. Die datum was een bewuste keuze. Baba ve Pic gaat over twee families, een Armeens-Amerikaanse die in San Francisco woont en een Turkse uit Istanbul. Hun levens zijn met elkaar verbonden via slaapkamergeheimen en via de geschiedenis van 1915, toen de Armenen uit Turkije verdreven werden. Ik interviewde Armeens-Amerikaanse vrouwen en Turkse grootmoeders omdat ik met een vrouwelijke blik naar de Armeense kwestie wilde kijken. Wat zijn de herinneringen van die vrouwen? Het is dankzij de vrouwen, die verhalen overleveren, dat de geschiedenis wordt doorgegeven. Als het gaat om het herinneren van wat er met de Armenen is gebeurd in 1915, faalt het officiële geheugen van de Turkse geschiedenis en lijdt men aan politiek geheugenverlies.’
Het opnieuw aanwakkeren van deze herinnering wekte de woede op van advocaat Kerincsiz, die al eerder aanklachten indiende tegen Orhan Pamuk en Europarlementariër Joost Lagendijk. Hij baseerde zich op artikel 301 dat de belediging van de Turkse identiteit strafbaar stelt. ‘Gewoonlijk wordt de Armeense kwestie niet aangekaart in Turkse literatuur. Het absurde is dat ik in mijn boek ook kritisch ben over het Armeense nationalisme. Er is een personage dat wraak probeert te nemen op haar Turkse ex-man door er met een Armeniër vandoor te gaan. Als ik op congressen spreek over Armeense identiteit, dan prijzen ze me voor mijn kritiek op het Turkse nationalisme, maar ze vragen ook meteen waarom ik zo nodig kritiek moet hebben op het Armeense nationalisme. Ik vind dat alle soorten nationalisme hetzelfde gevaar in zich hebben: ze produceren een scheiding tussen wij en zij. Ik ben dus kritisch op élke vorm van nationalisme, en het Turkse nationalisme in het bijzonder. Want dankzij dat nationalisme hebben we etnische en seksuele minderheden te lang als een bedreiging gezien voor een homogene identiteit. Terwijl de rijke verschillen in de Turkse maatschappij wat mij betreft juist gekoesterd zouden moeten worden.’
Shafak is enigszins verbaasd dat alle ophef zich toespitst op de Armeens-Turkse kwestie. ‘Ik snijd ook incest en huiselijk geweld aan in het boek. In Turkije zijn seksuele taboes moeilijker te doorbreken dan politieke, omdat ze dieper geworteld zijn in de cultuur.’ Als voorbeeld noemt ze de afbeelding op het omslag. Daarop is een gebarsten granaatappel te zien, uit het paarsrode vruchtvlees vloeien zaadjes. ‘De granaatappel staat symbool voor zowel Armeniërs als voor diverse andere minderheden, zoals vrouwen. Ik gebruik het ook als een symbool voor het Ottomaanse Rijk. Op het moment dat de vrucht openbarst en de zaadjes eruit komen, al die nakomelingen, kun je ze niet meer terugstoppen. En al die verschillende minderheden leefden samen totdat nationalistische ideologieën daar een eind aan probeerden te maken. Het geheel symboliseert pluraliteit, maar het lijkt ook op een vagina, en daarom weigerden sommige boekhandelaren de poster op te hangen. Ze wilden niet zeggen waarom, ze zeiden alleen maar: het is verontrustend.’
Pluraliteit. Het is een literaire en maatschappelijke kernwaarde voor Shafak. Haar personages bewegen zich altijd tussen meerdere landen, culturen, religies, seksualiteiten. Ze schreef bijvoorbeeld in haar debuutroman Pinhan (1998) over een hermafrodiet, en de roman The Saint of Incipient Insanities (2004) gaat over drie vrienden die naar de Verenigde Staten zijn gekomen om er te studeren: Ömer is een Turk die verliefd is op de biseksuele Gail, Abed is een Marokkaan die probeert zijn relatie met zijn vriendinnetje in Marokko op afstand te onderhouden, en Piyu is een Spanjaard wiens Mexicaans-Amerikaanse vriendinnetje anorexia heeft. Wil ze hiermee een ideologiekritische statement maken of vormen deze biculturele personages voor haar interessantere literaire personages? ‘Ik kies ze omdat ze dicht bij mijn hart liggen. Ik heb mij vaak een buitenlander in mijn eigen land gevoeld. Ik ben niet in een normaal gezin opgegroeid: er was niet een vader, een ‘baba’. Ik ben grootgebracht door een alleenstaande moeder. Vanaf mijn tiende werd ze diplomate en heb ik met haar rondgereisd. We leefden als nomaden. Door dit kosmopolitisme heb ik een scherpere, kritische blik, maar soms voel je je ook eenzaam: je hoort nooit helemaal ergens bij. Dus mijn personages, die ook overal en nergens thuishoren, zijn mijn soulmates.’
Ondanks de verwantschap met haar personages moeten we haar werk beslist niet autobiografisch opvatten. ‘Ik schrijf geen literatuur om mijn gevoelens of mijn identiteit uit te drukken. Toen The Saint of Incipient Insanities uitkwam, wisten de Amerikanen niet hoe ze het op de markt moesten brengen: Amerikanen zijn sterk gericht op identity politics. Maar ik schrijf niet autobiografisch en kan dus niet neergezet worden als “een islamitische schrijfster uit het Midden-Oosten”. En ik wil het ook niet. Want als dat gebeurt, schept het verwachtingen. Dat ik altijd zal schrijven over Turkse vrouwen bijvoorbeeld. Maar dat is geen fictie. Ik wil op een dag misschien wel over een Chinees schrijven. Het wemelt in de roman van de personages met verschillende nationaliteiten, maar er is er maar één Turks. En die is niet eens een vrouw. Ik wil in mijn boeken juist een ander worden, dat is mijn uitdaging, om juist niet mezelf te zijn. Literatuur stoelt op transcendentisme. Je moet jezelf durven uitkleden en een ander perspectief innemen.’
Achter de schrijftafel is ze vrij, vertelt ze, en kan ze alle perspectieven innemen. ‘Mijn pen is biseksueel. Als ik schrijf ben ik zowel een man als een vrouw. Ik heb alle twee in me, mijn pen is biseksueel. In mijn eerste boek is de hoofdpersoon een hermafrodiet, die mannelijkheid en een vrouwelijkheid in zich verenigt. Die roman is moeilijk te vertalen, omdat ik in het Turks kan spelen met mannelijke en vrouwelijke uitgangsvormen. Over biseksualiteit kun je het overigens in Turkije nauwelijks hebben– het is een van de seksuele taboes’
Shafaks boeken kenmerken zich, behalve door hybride personages, ook door opvallend véél personages. De lezer zal nooit bladzijdenlang met slechts één protagonist meeleven. ‘Dat is een bewuste keuze. Er zijn geen helden in mijn boeken. Het zijn hooguit antihelden. Bertolt Brecht heeft gezegd: wat we nodig hebben is niet een creatieve held, maar een creatieve maatschappij die geen helden nodig heeft. Daar ben ik het mee eens. Turkije heeft sterk geleden onder de heldencultus. We hebben aan Atatürk bovenmenselijke kwaliteiten toegedicht, hij is een individu dat je niet in twijfel mag trekken , terwijl hij ook fouten heeft gemaakt – maar wie zoiets zegt wordt al gauw beschuldigd van anti-kemalisme. Maar ik wil over zijn goede én slechte kanten kunnen praten.’
Shafak onderbreekt zichzelf om haar koffie terug naar de keuken te sturen. Ze is zes maanden zwanger en de koffiegeur blijkt zij niet goed te verdragen. Moederschap, zegt ze, is ook een typisch onderwerp waarbij mensen geneigd zijn om er hun hiërarchische hokjesdenken op los te laten. ‘Nu ik zwanger ben, vraagt men: Wordt je dan eindelijk “normaal”? En toen ik trouwde, zei men: We hadden niet gedacht dat je het type was dat zou gaan trouwen! Maar gewaardeerd werd het wel: de getrouwde vrouw wordt meer gerespecteerd. En daar bovenop nog moeder. De fetisjering van moederschap is met name in Turkije een groot probleem. Het moederschap mag er dan heilig zijn, Turkije is in de eerste plaats een maatschappij van vaders. Atatürk betekent “vader van de Turken”, en op het moment dat iemand de titel “vader” heeft, betekent dit dat je hem niet bekritiseert maar hem gehoorzaamt. Wij Turken zoeken altijd een vader, in de politiek, in de economie. We zien de staat als een vader. In Turkije noemen we de voetbalcoaches zelfs “vadertje”.
Ook de schrijvers zijn “vaders”, in Turkije is de roman altijd opgevat als een vorm van cultural engineering. Hier komen de sociale veranderingen vanboven af, van de culturele elite. Modernisering is een cultureel project: dat betekent dat voor journalisten en schrijvers een belangrijke rol is weggelegd als richtinggevers van de maatschappij. Veel Turkse schrijvers zien hun lezer als hun “wezen” dat ze moeten begeleiden. In die traditie is een schrijver altijd meer dan alleen maar een schrijver. Behalve over het schrijven praat ik met Turkse journalisten dan ook over van alles, over wereldpolitiek, economie, zelfs over olie. De roman moet in Turkije altijd een boodschap voor zijn lezers hebben, en de boodschap is belangrijker dan hoe het gezegd wordt. Ik wil dat niet: ik laat de taal en de personages het verhaal bepalen. Hoe mijn boeken eindigen verrast mij altijd. En zo’n einde kan heel somber zijn: die somberheid in mijn werk verrast mij soms ook.
Voor mij ligt destructie aan de basis van creativiteit. Ik probeer met de ene roman de vorige te vernietigen. Ik ervaar schrijven dan ook als een destructief proces. Ik werk als een bezetene aan een boek en ben streng voor mezelf, in fysiek en psychologisch opzicht. Ik heb twee perioden die elkaar afwisselen. Als de ene, de tijd van het schrijven, voorbij is, is de schade aanzienlijk. Ik voel me verzwakt, in emotioneel en fysiek opzicht. Ik ben leeg en doods. Dan moet ik naar de andere periode: het leven. Dan word ik een normaal persoon met andere interesses en laat ik me opladen door het leven.’
            Is schrijven een vorm sterven? ‘Ja en nee. Schrijven is ook het existentiële cement dat mijn leven bij elkaar houdt. Het is een oneindige zoektocht naar mezelf, naar het leven en de dood. Ik wil niet weten waar ik heen ga, maar altijd de mogelijkheid hebben om te gaan, om te bewegen. Ik hou van dat gevoel van vrijheid. Mijn verlangen om te schrijven was er eerder dan de wens gepubliceerd te worden. Het is dus een existentiële noodzaak. De passie voor schrijven en het verlangen om gepubliceerd te worden botsen soms met elkaar. Ze vullen elkaar niet aan, deze ambities. Wie ernaar verlangt om een beroemd schrijver te worden is doelgericht, publieksgericht, houdt rekening met de receptie en wil aardig gevonden worden. Als je je alleen maar op het schrijven concentreert, is publiceren van secundair belang en dan telt alleen het proces van het schrijven. En zo kun je oprecht blijven. Als je in Turkije aardig gevonden wil worden, dan is schrijven niet de ideale bezigheid. Schrijvers verzamelen veel vijanden in Turkije, in alle hoeken.’
Shafak merkt dat aan de soms bevooroordeelde receptie van haar werk. ‘Intellectuele vrouwen worden in Turkije sneller “oud”: dat is noodzakelijk, want als je “oud” bent, word je niet meer geassocieerd met seks en met alles wat vrouwelijk is, en pas dan word je gerespecteerd. Jong en vrouw zijn, dat is het gevaarlijkst. De receptie van mijn werk is een lang gevecht. Ik kan de discriminatie niet concreet aanwijzen. Het gaat om kleine dingen: de manier waarop je gefotografeerd wordt of de manier waarop je foto’s gebruikt worden. Ik ben voorzichtig geworden in de omgang met de pers, gereserveerder. Ik draag als het ware een sluier als ik met de media omga. Vervelend is dat wel: om respect te verdienen als schrijfster, moet je soms je vrouwelijkheid verbergen.’
            Shafak werkt op dit moment, samen met Osman Sinav, aan een filmscenario. Het is een liefdesverhaal dat zich afspeelt in Istanbul, waarin Oost en West elkaar ontmoeten. Shafak ziet veel verwantschap tussen het schrijven van een roman en het maken van een scenario voor een film. ‘Behalve taal en ritme is visualiteit mijn sterkste kant als schrijver. Ik werk vaak vanuit één sterk beeld en begin van daaruit te vertellen, zonder plan, zonder structuur. Ik heb geen behoefte aan orde om te kunnen vertellen. Sterker nog, steriliteit irriteert me, zoals ook beschermde omgevingen me irriteren. Ik begrijp dat mensen veiligheid zoeken, maar ze zijn wat mij betreft te bang voor problemen en voor botsingen, en dat komt voort uit angst voor het onbekende.’
 ‘Misschien,’ zo besluit Shafak, ‘is het kenmerkend voor mij en mijn werk dat ik niet geloof in een clash of civilizations. Ik geloof dat je alleen maar kunt leren van de ander, van de buitenlander, de buitenstaander, kortom, van iemand die níet op je lijkt.’